Groep 3 Groep 4 Groep 5 Groep 6 Groep 7 Groep 8  
Ouder | Wat leert uw kind met Alles telt? | Groep 3
Wat leert uw kind in Jaargroep 3, blok 5?

Blok 5 begint in maart, en loopt door tot in april. In die periode komen de leerlingen de volgende onderwerpen tegen:


Rekenen met het optelbord

Het is belangrijk dat uw kind alle erbij-sommen tot 20 snel en makkelijk kan uitrekenen. Maar niet alle erbij-sommen zijn hetzelfde. Dit blok krijgt uw kind een hulpmiddel om snel te kunnen zien wat voor soort som het is en wat het antwoord ongeveer is. Dit hulpmiddel is het optelbord. In het optelbord staan geen antwoorden, het is een hulpmiddel om erbij-sommen handig uit te kunnen rekenen. Het optelbord staat ook achterin het leerboek van uw kind, zodat het altijd makkelijk is te vinden.

De sommen staan op een op een logische manier bij elkaar. Aan de kleur van de som kan uw kind zien wat voor soort som het is. De rode sommen zijn de dubbelen (bijvoorbeeld 3 + 3 en 5 + 5).
De oranje sommen zijn sommen met 5 (bijvoorbeeld 5 + 1 en 1 + 5).
De paarse sommen samen 10 (bijvoorbeeld 2 + 8 en 7 + 3).
De lichtblauwe sommen zijn samen 5 (bijvoorbeeld 2 + 3 en 5 + 0).
De donkerblauwe sommen zijn samen 15 (bijvoorbeeld 5 + 10 en 6 + 9 ).
In de lichtgroene sommen zit 0 (bijvoorbeeld 6 + 0 en 0 + 6).
In de donkergroene sommen zit 10 (bijvoorbeeld 10 + 3 en 3 + 10).

Het is heel belangrijk dat er in het optelbord geen antwoorden staan. Het gaat er om dat de leerlingen handig leren rekenen. Door een som op te zoeken in het optelbord, kunnen ze zelf zien dat de som erg lijkt op een som die ze wel weten. Dit oefenen ze bijvoorbeeld in onderstaande opgave.

Meteen valt op dat er veel rode sommen in dit stuk van het optelbord staan. De rode sommen zijn de dubbelen; dit zijn makkelijke sommen die uw kind waarschijnlijk uit het hoofd weet. De sommen onder en boven deze dubbelen verschillen maar 1 met de rode sommen. Bijvoorbeeld de som 3 + 3. De som erboven is er eentje minder; 3 + 2. De som eronder is er eentje meer; 3 + 4. 3 + 3 = 6. Eentje minder is 5 en eentje meer is 7. Dus 3 + 2 = 5 en 3 + 4 is 7.

De leerlingen kunnen nu allerlei optelsommen maken. Als ze ergens niet uitkomen kunnen ze zelf achterin het boek kijken en het optelbord gebruiken. Het is belangrijk dat uw kind de som eerst goed bekijkt. Is het een erbij-som of een eraf-som? Zijn er sommen die op elkaar lijken? Welke som weet ik meteen en kan ik meteen opschrijven?

terug naar boven

Rekendriehoeken en euro's

In groep 3 is uw kind vooral bezig met optellen en aftrekken tot 20. Deze sommen moeten veel worden geoefend, zodat uw kind ze in groep 4 kan gebruiken om ook boven de 20 te rekenen. Maar alleen maar oefenen door rijtjes sommen te maken is wel erg saai..

De sommen kunnen ook op andere manieren worden geoefend. Dit is niet alleen leuker, het is ook goed om de sommen eens op een andere manier te zien. Soms zien leerlingen dan opeens handigheidjes en overeenkomsten tussen sommen die er eerder niet zagen. Op deze manier krijgen de kinderen steeds meer inzicht in het rekenen en zullen ze het steeds beter begrijpen.

Hieronder staat een voorbeeld van een rekendriehoek.

De leerlingen tellen steeds twee zijden van de driehoek bij elkaar op. Het antwoord zetten ze aan de kant in het hokje. Bij bovenstaand voorbeeld staat er dus 8 omdat 4 stippen + 4 stippen = 8. In het rechterhokje komt 4 + 6 = 10. In het onderste hokje komt hetzelfde antwoord, ook 10. Want aan de onderkant van de driehoek staan ook 4 stippen + 6 stippen = 10.

Deze rekendriehoeken kunnen ook moeilijker worden gemaakt. In onderstaand voorbeeld staan niet in alle vakjes van de driehoek getallen. De kinderen moeten nu ook zelf beredeneren welk getal er in het lege hokje van de rekendriehoek komt te staan.

Het is belangrijk dat uw kind eerst bedenkt welk gedeelte van de rekendriehoek al opgelost kan worden. Bijvoorbeeld bij de eerste opgave de rechterkant. 6 + 2 = 8. In het rechtervakje komt dus 8. Maar ook de linkerkant kan al worden berekend. 6 en zijn samen 7. Dit kan alleen worden berekend met een eraf-som. 7 - 6 = 1. In het lege vakje van de rekendriehoek komt dus 1 te staan. Nu is de rekendriehoek compleet en kan uw kind ook uitrekenen welk getal er in het onderste vakje moet komen te staan; 3. Want 1 + 2 = 3.

Op school leert uw kind rekenen met geld. Ook dit is weer een manier om de sommen onder de 20 te oefenen. Daarnaast leert uw kind ook de euromunten te herkennen en te gebruiken. In de vorige blokken heeft uw kind de muntjes van 1,2,5, 10 en 20 cent leren gebruiken. Dit blok komen daar de munten van 1 en 2 euro bij en de briefjes van 5, 10 en 20 euro.

Met deze munten en briefjes kunnen allerlei hoeveelheden geld worden neergelegd.

Als u iets wilt kopen, kunt u niet altijd gepast betalen. Soms geeft u te veel geld en krijgt dan geld terug. Ook hier oefent uw kind op school mee. Hieronder staat een voorbeeld van een som waarbij de leerlingen berekenen hoeveel geld ze terugkrijgen.

terug naar boven